Dit gaat niet over normen en waarden

 

Sociale binding versterken, sociale betrokkenheid bijbrengen, sociale omgangsvormen leren, gemeenschapszin bevorderen, Nederlandse waarden overdragen, nationale identiteit ontwikkelen … Dit alles wordt de laatste tijd gepropageerd onder de noemer burgerschapsvorming. De school moet burgers maken van de kinderen.

 

Dat begint al op de basisschool, zegt minister Van der Hoeven in de NRC: daar kunnen kinderen leren respect voor elkaar te hebben en hun conflicten op te lossen (NRC 2 februari). Ook volgens Micha de Winter kan het niet vroeg genoeg beginnen: de basisschool moet zich inspannen om “democratie-tekort” te voorkomen door te werken aan “persoonlijke en sociale verantwoordelijkheid” (WRR-verkenning Opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid in het algemeen belang. De noodzaak van een democratisch-pedagogisch offensief, 2004, 51).

 

Iedereen schijnt het roerend eens te zijn. En binnenkort is het wettelijk geregeld: het wetsvoorstel “bevordering actief burgerschap” is juist terug van de Raad van State (half januari 2005). De eensgezindheid is opvallend. Niet alleen Tweede Kamer en Kabinet, ook belangrijke adviesorganen maken zich er sterk voor: de Onderwijsraad in adviezen eind 2003 en begin 2005 en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in de verkenning van De Winter eind 2004. De landelijke pedagogische centra blijven niet achter. (Kamermotie, 29 november 2001; verklaring Balkenende, 10 november 2004; Onderwijsraadadviezen Onderwijs en Burgerschap, 2003 en De stand van educatief Nederland, 2005; KPC/SLO-studie Scholen voor actief burgerschap, 2003).

 

Balkenendisering? Niks daarvan: “Dit gaat niet over normen en waarden,” bezweert Van Wieringen, voorzitter van de Onderwijsraad (NRC, 17 januari 2005). Waar gaat het dan wel over? Volgens mij gaat het nergens over. Mijn scepsis heeft twee redenen.

 

Het spreekt vanzelf dat onderwijs beoogt toe te rusten tot burgerschap. Sinds mensenheugenis is het gemeengoed, althans, onder filosofen en pedagogen (van Plato en Aristoteles, via Locke, Schleiermacher en Dewey tot Kohnstamm, Langeveld en Peters) en ook onder sociologen, onderwijskundigen en professionals. Verschil van inzicht en mening bestaat er wel, maar dan over de problemen die burgerschapsvorming oproept, zoals de invulling van burgerschap (bijvoorbeeld mondigheid versus verbondenheid), de verhouding tussen burgerschap en andere loyaliteiten en identiteiten (bijvoorbeeld minderheidscultuur, godsdienst, etniciteit), de verhouding tussen burgerschap en individuele autonomie, reflexiviteit en/of ontplooiing; de vraag wie hoe bepaalt wat de collectieve identiteit inhoudt, wat tot de culturele canon (het waardevolle erfgoed) behoort enzovoort. Het zijn klassieke en bekende problemen. Het is verdacht dat in hedendaagse pleidooien hieraan zonder meer voorbijgegaan wordt. Praktisch nergens wordt burgerschap serieus geproblematiseerd, ondanks alle tradities van problematisering.

 

Het spreekt niet vanzelf dat we ons vandaag aan de dag extra druk moeten maken over burgerschap in de naďeve zin van binding, betrokkenheid, omgangsvormen, gemeenschapszin en nationale identiteit. Noodzakelijker dan ooit is dat we zulke zaken en waarden kritisch onderzoeken in plaats van domweg beogen. Bijvoorbeeld: Wat mag nationale identiteit kosten in termen van diskwalificatie van nieuwkomers en uitsluiting van buitenstaanders? Wat is gemeenschapszin op nationaal niveau waard vergeleken met gemeenschapszin op die op lokaal niveau en die op groepsniveau en die op mondiaal niveau? En noodzakelijker dan ooit is dat we kinderen leren zich zulke vragen te stellen en zich kennis te verschaffen om antwoorden te geven, antwoorden die opnieuw bevraagd kunnen worden.

 

In Engeland is burgerschap verplichte kost op school. “Citizenship education” behoort sinds 2000 tot het “National Curriculum”. Ook daar is men uit op “social responsibility”, “sense of community”, “national identity” enzo. De ervaringen ermee zijn niet om over naar huis te schrijven. De Britse onderwijsinspectie Ofsted klaagt deze maand in haar jaarverslag: “Citizenship is the worst taught subject” (Annual Report of Her Majesty's Chief Inspector of Schools 2003/04, 2 februari 2005). Is dat erg? Ik betwijfel het. Uit de mond van David Bell, het opperhoofd van Ofsted, kon onlangs opgetekend worden wat hij belangrijk vond aan actief burgerschap:

 

“We need to ensure that schools help to open up young people's eyes to service in all its different manifestations. Here, I would highlight the contribution of the armed services. Over the past year, I have been deeply impressed by the example set by our army, navy and air force in Iraq. The services continue to stand as a beacon of excellence in living out the timeless values of duty, honour, courage and sacrifice.” (Guardian, 17 januari 2005)

 

En dat na alle ophef over de oorlog in IRAK, de “vrede” in IRAK en de bejegening van krijgsgevangenen door Amerikaanse en Britse militairen!

 

Maar wie zit er te wachten op kritiek en twijfel? Onze Onderwijsraad in elk geval niet. “De sceptici moeten hun mond houden en de mensen die er wel in geloven hun werk laten doen,” moppert voorzitter Van Wieringen op voorhand in de NRC (17 januari 2005). Lekker democratisch.