Samen

 

Eén van de grootste maatschappelijke problemen vandaag aan de dag is segregatie: etnische en sociaal-economische desintegratie. Uitsortering, zoals de sociaaldemograaf Jan Latten het laatst noemde (Zwanger van segregratie, 2005). Ook in het onderwijs is sprake van segregatie getuige de groei van het aantal zwarte scholen en concentratiescholen.

 

De ontwikkeling is zo ernstig dat Nederland twee keer officieel gewaarschuwd is door de Committee on the Elimination of Racial Discrimination (CERD), de commissie die toeziet op naleving van het Internationale Verdrag voor de Uitbanning van alle vormen van Rassen-discriminatie (IVUR). Het verdrag verbiedt overheidsbeleid dat rassensegregatie tot gevolg heeft, ook als het onbedoeld is. De CERD wijst de Nederlandse overheid op haar plicht segregatie tegen te gaan in plaats van toe te staan als neveneffect van onder andere onderwijsvrijheid. (CERD, Concluding observations CERD/C/304/Add.46, 1998; Concluding observations. CERD/C/64/CO/7, 2004; zie http://www.unhchr.ch/html/menu2/6/cerd.htm.)

 

Het is iets om ons serieus aan te trekken. Immers, segregatie in het onderwijs bevestigt en bevordert achterstand en ongelijkheid. En daar hebben we genoeg van.

 

Gelukkig is het omgekeerde ook waar: integratie in het onderwijs vermindert achterstand en ongelijkheid en gaat zodoende uitsortering tegen. Hierom is het recente pleidooi van de socioloog Bowen Paulle aantrekkelijk. Hij maakt zich sterk voor “economische desegregratie van het onderwijs”:

 

Laten we ervoor zorgen dat alle kinderen van arme en laagopgeleide ouders naar school gaan met genoeg kinderen uit de middenklasse. Op scholen waar hun aandeel niet hoger is dan 30% zijn kansarme leerlingen beduidend minder kansarm. Dit komt door de informele en onbewuste socialisatie ‘tussen’ leerlingen op school. Kinderen van laagopgeleide ouders en uit arme gezinnen nemen in de dagelijkse omgang met middenklasse kinderen het ‘cultureel kapitaal’ over dat de voorwaarde vormt voor maatschappelijk ‘erbij horen’. Sociologen spreken wel van de juiste ‘habitus’ of ‘tweede natuur’. Onderzoek wijst uit dat de optimale verhouding 30/70 is: een groter aandeel kansarme leerlingen is ongunstig voor zowel kansarme als middenklasse leerlingen. Om de gewenste verhoudingen te realiseren is spreiding van leerlingen nodig; middels bijvoorbeeld beloningen of sancties, dubbele wachtlijsten en informatiecampagnes. (B. Paulle, Voorbij de oude debatten; een voorstel voor economische desegregatie van het onderwijs, via: www.volkskrant.nl/paulle.)

 

Paulle heeft het idee uit zijn thuisland de VS. Daar wordt het in verscheidene stedelijke regio’s uitgeprobeerd. Het ziet ernaar uit dat het werkt. In een aantal schooldistricten zijn de effecten onderzocht en die lijken zonder meer gunstig. Onderzoekers laten zien dat voor elke procent meer “middle class classmates” kansarme leerlingen meetbaar beter presteren. David Rusk berekende op basis van onderzoek in Wisconsin hoeveel het voor de gemiddelde kansarme leerling uitmaakt of hij schoolgaat met 45% middle class leerlingen of schoolgaat met 85% middle class leerlingen: “on average a 20 to 32 percentage point improvement in low income pupil’s test scores”. (R.D. Kahlenberg, Economic School Integration: An Update, 2002, www.equaleducation.org, retr. 14 maart 2006). De experimenten zijn zo suksesvol dat steeds meer Boards of Education economische integratie voor hun schooldistrict overwegen. Onderwijsdeskundigen in het hele land tonen belangstelling. (The New York Times, September 25, 2005).

Stel, dat het inderdaad werkt. Is het dan ook iets voor ons? Er kleven natuurlijk allerhande praktische bezwaren aan, maar laten we even aannemen dat die niet opwegen tegen de praktische voordelen. Principiële bezwaren zijn interessanter. Twee liggen voor de hand: regelgeving die bepaalde verhoudingen tussen soorten leerlingen voorschrijft en die spreiding van leerlingen tot gevolg heeft, oogt strijdig met het grondwettelijke recht van onderwijsvrijheid en met het breed gedragen moreel beginsel van ouderrecht.

 

De eerste bedenking is gemakkelijk weg te nemen. Grondwetsartikel 23 voorziet niet in de vrijheid leerlingen te weigeren. Opgelegde verhoudingen en spreiding zijn hooguit strijdig met bepaalde interpretaties van dat artikel, niet met de onderwijsvrijheid zelf, namelijk het recht van burgers om onderwijs te geven.

 

En het ouderrecht? Het voorstel beperkt ouders in hun vrijheid een school voor hun kinderen te kiezen waarop nagenoeg uitsluitend ‘soortgelijke’ kinderen zitten. Een gewaardeerde vrijheid, want ‘ons soort mensen’ is bij schoolkeuze een belangrijk motief blijkens onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (Ouders over opvoeding en onderwijs, 2004). De vraag is evenwel hoeveel dit recht werkelijk waard is. Voor kansarme kinderen is het kennelijk slecht. Hierom is er niks op tegen hun ouders ietwat in het ouderrecht te beperken. Het gebeurt voortdurend: ouderrecht beknotten om de bestwil van het kind. Omdat middenklasse kinderen niet benadeeld worden door het voorstel, zou je kunnen verdedigen dat ook het ouderrecht van middenklasse ouders ietwat beperkt mag worden, niet direct om de bestwil van de eigen kinderen, maar om die van de andere kinderen. En op de lange duur ook om bestwil van de eigen kinderen. Per slot van rekening heeft iedereen belang bij integratie.