Stoppen?

 

Er zijn pedagogen die vinden dat we moeten stoppen met onderwijzen. Hun gedachtengoed heeft zijn onversneden gestalte gevonden in Iederwijs, de school zonder leerplan en leerkracht, zonder lessen en toetsen. “Waar niks moet en alles mag. Waar de leerling de baas is en niet de leraar. En waar kinderen alleen iets leren als ze daar zelf zin in hebben” (NOVA, 3 juli 2004). Iederwijs verbreidt zich verrassend snel: ons land telt al 17 Iederwijsscholen en in 33 plaatsen plannen voor zulke scholen (www.iederwijs.nl).

 

Er zijn pedagogen die vinden dat we moeten stoppen met opvoeden. Spraakmakend voorbeeld is Jan Geurtz in zijn boek Het einde van de opvoeding (2004). Hij legt uit waarom kinderen beter af zijn zonder. Opvoeden belemmert en beperkt kinderen. Het frustreert en fnuikt ontwikkeling en leren. Belangrijke kennis, vaardigheden en gezindheden doet het kind juist op ondanks opvoeders. Hier komt nog bij dat opvoeden kinderen ongelukkig maakt. Wie weet wordt Geurtz’ stoppen-met-opvoeden-boek net zo’n succes als zijn bestseller De Opluchting, in één dag van het roken af! (1997), dat volgens de uitgever vele duizenden van het roken afhielp.

 

Er zijn pedagogen die vinden dat we moeten stoppen met adviseren, voorlichten en ondersteunen. Ouders zouden met rust gelaten moeten worden. De overdaad aan opvoedingsondersteuning is geen remedie tegen opvoedingsonzekerheid, maar vergroot de onzekerheid juist. Gevolg: Paranoid parenting, aldus de Britse socioloog Frank Furedi in zijn gelijknamige studie (2002). De pedagoge Els Lodewijks-Frencken maant in het aprilnummer van het tijdschrift Pedagogiek in Praktijk pedagogen uit de buurt te blijven van ouders. En de pedagoge Annie de Vreugd roept in haar recente boek Doe het zelf ouders! (2004) ouders op uit de buurt te blijven van pedagogen.

 

Stoppen met onderwijzen, opvoeden en ondersteunen. Kan dat kwaad? Och …

 

Volgens sommigen doet onderwijs er weinig toe. De Onderwijsraad bijvoorbeeld. In zijn advies Onderwijs in burgerschap (2003) zegt de Raad dat we niet veel van de school kunnen verwachten. Onderzoek leert dat zelfs voor vakken als taal en rekenen de schooleffectiviteit slechts een procent of negen is. “Dit betekent dat de verschillen (tussen kinderen) vooral verklaard moeten worden door de eigenschappen van kinderen zelf of door hun achtergrond”. Onderwijs maakt nauwelijks of geen verschil voor vanouds schoolse vaardigheden, aldus de Onderwijsraad, laat staan voor morele en sociale ontwikkeling.

 

Volgens sommigen doet opvoeding er weinig toe. Bekend is de boodschap van de ontwikkelingspsychologe Harris eind jaren negentig: opvoeding heeft geen invloed op gedrag en kenmerken van kinderen. Alle gedragsgenetisch onderzoek en statistische bewerkingen van gegevens daaruit leren dat de handelwijzen en persoonlijkheid kinderen voornamelijk bepaald worden door genen en groepen. (Het misverstand opvoeding, 1999)

 

Volgens sommigen doet opvoedingsondersteuning er weinig toe. Illustratief is de scepsis over de effecten van ondersteuning in het kader van voorschoolse educatie. Wat de pedagoge Eldering begin jaren negentig al verkondigde, is tegenwoordig bon ton: programma’s als Opstap werken niet, althans niet duurzaam. "(Er) zijn geen effecten aangetoond van … deelname aan stimulerings- en interventieprogramma’s," stellen ITS en Kohnstamm Instituut bijvoorbeeld vast na uitgebreid onderzoek, "Deze bevinding komt sterk overeen met die van veel binnen- en buitenlands onderzoek op dit terrein” (De ontwikkeling van jonge kinderen, 2003).

 

Stoppen dus? Ondanks deze geluiden zegt de intuďtie: nee. Is de intuďtie te vertrouwen? Alleen als ze de wetenschap niet tegenspreekt. En wat zegt de wetenschap?

 

Iederwijs is geen vrucht van wetenschap; integendeel.

 

Ook Geurtz’ antipedagogiek is alles behalve wetenschap.

 

Of opvoedingsondersteuning opvoedingsonzekerheid vergroot is niet wetenschappelijk onderzocht. De inventaris annex analyse van Furedi doet zich voor als wetenschap, maar is een aaneenschakeling van impressies, anekdotes en vermoedens. Het boek Paranoid parenting heeft wel wat weg van de documentaires van Michael Moore.

 

De overige drie geluiden beroepen zich tenminste op wetenschappelijk onderzoek. Worden ze daar geloofwaardiger van? Nee.

 

Schooleffectiviteitsonderzoek meet in hoeverre verschillen tussen prestaties van leerlingen toe te schrijven zijn aan verschillen tussen scholen. Als de scholen allemaal praktisch even effectief zijn is de schooleffectiviteit laag, ook al is de effectiviteit hoog. Immers, dan zijn de verschillen tussen leerlingen nauwelijks toe te schrijven aan de verschillen tussen scholen. Schooleffectiviteit als cijfer zegt dus niks over schooleffectiviteit als realiteit.

 

Gedragsgenetisch onderzoek meet in hoeverre verschillen tussen kinderen toe te schrijven zijn aan verschillen tussen ouderschapspraktijken. Stel, ouderschapspraktijken hebben wel grote invloed, maar onderscheiden zich amper van elkaar qua invloed. Dan constateert de gedragsgenetica dat ouderschap weinig uitmaakt. Verschillen tussen kinderen zijn amper toe te schrijven aan verschillen tussen ouderschapspraktijken. Gedragsgenetische cijfers zeggen dus niks over de realiteit van ouderschap en kindertoekomst.

 

Het onderzoek naar de effectiviteit van voorschoolse educatie waarop het ITS en het Kohnstamm Instituut zich baseren en waarnaar zij refereren is omstreden. Neem het oordeel van de Utrechtse hoogleraar Leseman: “Methodologisch is er sprake van ondeugdelijk onderzoek” (Werkt voorschoolse educatie niet? www.Pedagogiek.net: Nieuws>Wetenschap, november 2003).

 

De wetenschap weet het ook niet. Dus spreekt de intuďtie haar niet tegen en kunnen gerust doorgaan met onderwijzen, opvoeden en ondersteunen.