Wat moeten we met moslimleerlingen en de onderwijsvrijheid?

Trouw, maart 2002

Als we echt bang zijn dat kinderen van islamitische huize anti-westers worden en we willen daar iets tegen doen, dan zijn er vast doelmatiger strategieën dan het monitoren van godsdienstonderwijs op moslimscholen. Sinds wanneer worden leerlingen vroom van godsdienstonderwijs? Kinderen trekken zich doorgaans weinig aan van zienswijzen en leefregels die men ze op school voorhoudt. Wat zouden we zelf mild en rechtvaardig zijn als het anders was geweest.

We kunnen beter iets doen aan de maatschappelijke factoren die islamitische kinderen ontvankelijk maken voor anti-westers sentiment. Natuurlijk, omstandigheden structureel verbeteren gaat niet van de ene op de andere dag. Maar wat let ons om bescheiden te beginnen en onze goede wil te tonen? Politici, bijvoorbeeld, zouden op z'n minst correct kunnen blijven ondanks de verkiezingen (wat is er toch mis met politieke correctheid tegenwoordig?) en zich verre houden van stemmingmakerij ten koste van minderheden. Anders dus dan de Rotterdamse VVD-lijsttrekker die in het NOS-journaal beloofde dat als het aan hem ligt er op straat weer Nederlands gesproken zal worden. Zulke fratsen zetten meer kwaad bloed dan een godsdienstles. (Zoals trouwens ook het triomfalisme van Bush moslimleerlingen gemakkelijker anti-westers maakt dan de bekrompenheid van een schoolbestuurslid of de polemische website van iemand die wel eens een inleiding houdt op de vereniging waarvan dat schoolbestuurslid penningmeester is.)

Als we werk gemaakt hebben van de omstandigheden kunnen we altijd nog kijken naar het godsdienstonderwijs. Betrokkenen zullen zich beroepen op de onderwijsvrijheid.

Halverwege de jaren tachtig is het roomskatholieke en protestantse godsdienstonderwijs onderzocht door een aantal pedagogen en theologen. De conclusie was dat het eigenlijk geen onderwijs mocht heten, omdat het geloofsopvoeding was, vaak van het behoudende, kortzichtige en onverdraagzame soort: bekeren en bevooroordelen, zekerheden en leefregels inprenten, waarschuwen tegen "heidenen" en "bijgelovigen", karikaturen maken van andersgelovigen (zie: Tussen leuren en leren, 1986). Ik verbaasde me toen (als student betrokken bij het onderzoek) dat dit allemaal zomaar kon, straffeloos en zelfs door de staat bekostigd. Het is de grondwettelijke onderwijsvrijheid, zo werd me voorgehouden. Die geeft bijzondere scholen het recht om vorm en inhoud van het eigen onderwijs grotendeels zelf te bepalen. En de kinderen dan? Hebben die geen recht op adequaat onderwijs en moeten die niet beschermd worden tegen indoctrinatie? En de plurale democratie dan? Dienen scholen niet verplicht te worden verdraagzaamheid en wederzijds verstaan te bevorderen en kinderen op verantwoord burgerschap voor te bereiden? Nee, niet als een of ander ten koste zou gaan van de onderwijsvrijheid.

We zijn vijftien jaar verder. Het islamitische godsdienstonderwijs is verdacht. De BVD heeft de zaak onderzocht en het kabinet slaat alarm. Maar moslimscholen nu maken het nauwelijks bonter dan veel christelijke scholen destijds. Dus niks aan te doen, zou ik denken. Of men moet grondwetsartikel 23 negeren.

Grondwetsartikel 23 negeren … Ja, waarom niet? Het artikel heeft sinds begin jaren negentig sterk ingeboet aan draagwijdte. Door structurele beleidsontwikkelingen stelt de onderwijsvrijheid in de praktijk steeds minder voor. Met de invoering van de kerndoelen en de vernieuwing van de examenprogramma's zijn de leerstof en de didactiek van het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs tamelijk precies vastgelegd vanuit Zoetermeer en Den Haag. De inhoudelijke bemoeienis van de overheid met het onderwijs is opmerkelijk ruim geworden, onNederlands ruim. Er is meermaals geklaagd dat dit niet strookt met de grondwet. Op voorhand al was dit het strenge oordeel van een apart ingestelde Commissie Toetsing Wetgevingsprojecten (Verantwoordelijkheid voor onderwijs, 1989). Later hebben de Onderwijsraad, onderwijsorganisaties en politieke partijen regelmatig geprotesteerd met een beroep grondwetsartikel 23 (bijv. Onderwijsraadsadviezen 1990, 1991, 1992, 1997). Een half jaar geleden trok ook de Raad van State nog eens aan de bel (naar aanleiding van de nieuwe inspectiewet). Ondanks het gemor mochten de opeenvolgende bewindslieden de grondwet links laten liggen en de onderwijsvrijheid steeds verder inperken.

Het is gebruik geworden de grondwettelijke onderwijsvrijheid niet serieus te nemen. Een beetje vreemd in een rechtsstaat, maar pedagogisch gezien een gunstige ontwikkeling, althans op het eerste gezicht: de overheid weet zich verantwoordelijk voor het onderwijs. Toch heb ik twee bedenkingen en wil ik, geheel tegen mijn gewoonte in, pleiten voor herwaardering van de onderwijsvrijheid.

Ten eerste kan onderwijsvrijheid scholen beschermen tegen een overijverige en betweterige overheid (staatssecretarissen, adviescommissies, ambtenaren enzovoort). Was de onderwijsvrijheid serieus genomen dan waren de "verbeteringen" van de jaren negentig het onderwijs bespaard gebleven. De onbeholpen wijze waarop de overheid haar groeiende bemoeienis vorm gaf (kerndoelen, studiehuis, basisvorming) deed elk mogelijk voordeel teniet (zie: De overheid als bovenmeester, 1999). Het is geen wonder en bepaald geen ramp dat de vernieuwingen stuk voor stuk alweer op de tocht staan. Erkenning van de onderwijsvrijheid in de zin van recht doen aan deskundigheid en toewijding van betrokkenen kan herhaling voorkomen.

Ten tweede, en dit brengt me terug op de moslimleerlingen, kan onderwijsvrijheid docenten, ouders en ook kinderen beschermen tegen politiek opportunisme en idealisme. Niet alleen tegen de waan van de dag, zoals nu tegen de achterdocht jegens de islam. Maar ook tegen geduriger trends. Om een passend voorbeeld te geven: onderwijsvrijheid kan "allochtone" kinderen op school vrijwaren van Haags dédain voor de islam en van Haagse overbezorgdheid. Allochtone kinderen worden voortdurend op de huid gezeten door Adelmund c.s. In het kader van preventie van tal van maatschappelijke problemen worden hun ouders voorgelicht, gescreend, gecontroleerd, ondersteund of vervangen. Er heet van alles te mankeren aan de allochtone opvoeding. En alsof de bestaande praktijken nog niet genoeg zijn: komen in of rond Den Haag de verplichte opvoedcursussen of ouderschapstoetsen weer eens ter sprake, dan dienen allochtone ouders steevast als illustratie. Het zijn niet voor niets ook juist allochtone ouders die van overheidswege gestimuleerd worden hun kinderen met 2 op voorschoolse educatie te doen. Adelmund liet zich in het najaar ontvallen voorscholing eventueel verplicht te willen stellen voor deze kinderen. Thuis kan het ouderlijk gezag ingezet worden tegen de goede bedoelingen van moedertje staat; op school de onderwijsvrijheid.

Van het huidige grondwetsartikel 23 ben ik nooit warm pleitbezorger geweest, maar het moet af en toe gezegd: onderwijsvrijheid op zich is geen overbodige luxe, ook vandaag aan de dag niet.