Recht op onderwijs versus vrijheid van onderwijs

Nederlands Tijdschrift voor Opvoeding, Onderwijs en Vorming, Vol 10, 1994, 360-369.

Engelse samenvatting: The right to education versus the right to educate

In modern societies education (its contents and ends) and educational authority (who is or may be responsible and in charge?) are controversial issues. Can agreement on Human Rights and Children's Rights serve as a foothold in public deliberation and decisionmaking concerning these matters? At a first glance Human Rights and Children's Rights do indeed establish common ground: the international documents contain articles on education which define norms regarding both educational goals and educational authority. But are they univocal and explicit enough to guide, justify and/or criticize educational legislations and policies? The main problem is the tension between the right to education (a children's welfare right) and the right to educate (a right of freedom of pa-rents and minorities).
In this article I argue that in the legally binding international conventions and covenants (including the Convention on the Rights of the Child) the right to education outweighs the right to educate. Parental and minority rights are qualified: the children's educational rights have priority. This would imply that recent developments in philosophical, political and popular thinking about educational authority, which show a revaluation of the rights of parents and minorities, tend to contravene the Human Rights tradition, international law and the Convention on the Rights of the Child.

 

Moet besnijdenis mogen?

Comenius, Jrg. 17, 1997, 117-129

Engelse samenvatting: Must neonatal circumcision be allowed?

Public concern for child care and education presents liberal and plural democracy with problems regarding authority and rights. A knotty one is a wellknown dilemma: rights of children sometimes conflict with rights of their parents and rights of the (cultural, ethnic, religious) groups to which they belong. Protecting children's rights can be incompatible with respecting traditional beliefs and practices.
An example of this dilemma is the question whether neonatal circumcision must be allowed. Jewish and Islamic traditions prescribe circumcision and according to the people involved it is a meaningful practice of great importance for both parents and the child. Liberal and plural aspirations oblige the state to allow it. But circumcision is a medically unjustifiable practice. The obligation to protect children against abuse and maltreatment and to protect their freedom of religion compels the state to forbid circumcision.
This article explores the problem and suggests a pragmatic way to cope with it.

Engelse vertaling van het gehele artikel

 

Minority rights and educational authority

Journal of Philosophy of Education, Vol. 32, 1998, 177-193

Summary

In pleas for the recognition of cultural minority rights with a view to preserving cultural identity, claims to educational authority often figure as concrete examples: in order to maintain cultural particularity, minorities rightfully appeal to a greater or even exclusive say on matters concerning their children's education. The right to broad educational authority is said to be an exemplary minority right. This is striking, it being of all minority rights one which is as good as impossible to justify. In the present article it is argued why.
The difficulties involved in recent attempts to reconcile cultural minority rights with liberal political philosophy serve as a guide line. Arguments voiced by Tomasi, Kukathas, Kymlicka and Galston demonstrate, although they think to have shown otherwise, that education is no matter to be left to cultural minorities themselves. Ironically, the very groups that call out the loudest for educational rights, or who are most urgently in need of these according to proponents, the illiberal communities, are least entitled to them.
Plural democracy should be wary of educational minority rights. The opposite view, however popular it seem to have become, doesn't take seriously civic and liberal risks and ignores the complicated nature of the relationships between communities and `their' children and between parents and `their' children.

Nederlandse origineel van het gehele artikel

 

Om de democratie

in: Pedagogiek als tijdrede, onder redactie van Wilna Meijer, Piet van der Ploeg en Daan Thoomes, Baarn: INTRO 1999

Introductie

Het is een klassieke wijsheid: de rechtsstaat is onbestaanbaar zonder vorming tot burgerschap. Voor de democratie geldt het zeker. Zonder bekwame en betrokken burgers is democratie farce of facade. En vorming moet de mens toerusten voor zulk burgerschap, want de nodige kwaliteiten zijn niemand aangeboren en komen niemand aanwaaien. Nu men zich allerwegen zorgen maakt over de toestand en de toekomst van de democratie is het bijgevolg geen wonder en terecht, dat vragen rond vorming tot burgerschap actueel zijn en urgent geacht worden. Een van de belangrijkste vragen is wat kinderen met het oog op democratisch burgerschap moeten leren.

Volledige tekst

 

Burgerschapsvorming van een verdeelde demos

Civis Mundi, Jrg. 38, 1999, 75-78

Introductie

"The best argument against democracy is a five-minute conversation with the average voter," aldus Churchilll. Misschien heeft hij gelijk, maar je zou het kunnen omdraaien. Praat van de straat is gegeven de democratie een sterk argument voor burgerschapsvorming. Als de doorsnee kiezer niet goed genoeg is, dan moet hij beter worden. Onderwijs zou wel eens de beste vorming in democratie kunnen zl'n. Mits onderwijs wordt opgevat als een oefening in reflexie en als verwerving van algemene en brede kennis.

Het aforisme van Churchill is een variatie op het klassieke bezwaar tegen de democratie: het gewone volk zou niet in staat zijn zichzelf te regeren; het zou in intellectueel en moreel opzicht tekort schieten en daarom niet kunnen en mogen meedoen in politieke beraadslaging en besluitvorming. Toen de democratie nog in de kinderschoenen stond (Athene, vijfde eeuw v.C.) bracht Plato het argument al met veel verve tegen haar in: de doorsnee burger is niet gekwalificeerd; het regeren moet toevertrouwd worden aan alleen de allerverstandigsten en allerrechtvaardigsten.

Natuurlijk, de democratie staat of valt met de kwaliteiten van de burgers. Missen zij de nodige kundigheden, vaardigheden en gezindheden, dan is de democratie een riskante fictie. Vandaar de noodzaak van burgerschapsvorming, want die kwaliteiten zijn niemand aangeboren en komen niemand aanwaaien. Met een knipoog naar Plato: in de democratie moet iedereen allerverstandigst en allerrechtvaardigst zijn. Dat is een hele opgave voor het onderwijs: het zegt niet alleen iets over de noodzaak van burgerschapsvorming, maar ook over de inhoud ervan.

Het wordt algemeen erkend, dat burgerschapsvorming een van de functies van het onderwijs is, in elk geval van het funderend onderwijs. Het onderwijs draagt bij aan persoonlijke ontwikkeling, bereidt voor op verdere scholing (beroeps- of academisch onderwijs) en rust toe tot maatschappelijk deelgenootschap. Tot dit laatste behoort de burgerschapsvorming. Maar wat houdt de vorming tot burger in een democratie idealiter in?

 

Verdeling en normering van pedagogische autoriteit

Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, Jrg. 8, 1996, 160-173

Samenvatting

Opvoeding en onderwijs zijn punten van discussie en conflict in meervoudige en verdeelde samenlevingen. Er worden sterk uiteenlopende antwoorden gegeven op de vraag wat kinderen moeten leren en de vragen wanneer, hoe, waar en waarom. Sociale, culturele en ideologische verscheidenheid brengt nu eenmaal ook pedagogische onenigheid met zich mee.
Als de pedagogische kwestie een twistpunt is, dan dient zich als vanzelf de vraag aan wie het voor het zeggen heeft over opvoeding en onderwijs. Is er geen enigheid te vinden, wie beslist er dan over de kinderen, over wat ze moeten leren en over wanneer, waar en hoe ze dat moeten leren? En op welke gronden wordt er beslist, welke overwegingen zijn relevant en welke grenzen dienen in acht genomen te worden? Ziehier, het vraagstuk van de verdeling en normering van pedagogische autoriteit.
In mijn Opvoeding en politiek in de overleg-democratie (Intro: 1995) presenteer en verantwoord ik een voorstel voor democratische verdeling en normering van pedagogische autoriteit. Het is een concreet, zij het globaal voorstel voor een onderwijs-rechtelijke en onderwijs-politieke ordening passend in de moderne plurale, sociale en liberale democratie gevolgd door een pedagogische, antropologische en politiek-filosofische rechtvaardiging.
Het onderhavige artikel geeft het voorstel in grote lijnen weer (deel 1) en bespreekt een voor de hand liggend bezwaar: het zou onvoldoende rekening houden met rechten van ouders en minderheden (deel 2). De weergave van het voorstel is oppervlakkig en kort, want het gaat me hier eigenlijk om de bespreking van het bezwaar. Bij democratische verdeling en normering van pedagogische autoriteit, zoals ik het bepleit, is de onderwijsvrijheid niet al te ruim, dat wil zeggen: minder ruim dan in Nederland traditie is dank zij schoolstrijd en verzuiling. Hiermee wijkt het voorstel ook af van wat onder (wijsgerig-)pedagogen en politiek-filosofen momenteel juist in is: voorstaan van ruime onderwijsvrijheid ter wille van rechten van ouders en minderheden - bijvoorbeeld culturele, godsdienstige en etnische minderheden. Ik zal proberen aannemelijk te maken waarom het ondanks traditie en trend niet vanzelfsprekend is de aanspraken van ouders en minderheden zwaar te tellen en onderwijsvrijheid te maximaliseren.

 

Onderwijsvrijheid en overheidszorg opnieuw afgewogen

Pedagogisch Tijdschrift, Jrg. 24, 1999, 35-50

Samenvatting

Na een kenschets van de gangbare argumenten voor onderwijsvrijheid (pluraliteit, autonomie en kwaliteit) en een rechtvaardiging van overheidsbemoeienis met onderwijs (verwijzend naar recht op onderwijs, gelijkheid, algemeen belang en kwaliteit) wordt een karakteristiek gegeven van het onderwijsrechtelijke model waarin vrijheid en bemoeienis in ideale verhouding tot elkaar staan. Het model brengt aanspraken van ouders of minderheidsgroepen in evenwicht met verantwoordelijkheden van de staat. Vervolgens wordt de vraag gesteld of er bij de verdeling van pedagogische autoriteit niet een derde partij onderscheiden moet worden. Het lijkt erop, dat naast ouders of minderheidsgroepen en de overheid de pedagogische professie een eigen plaats verdient. Moet de pedagogische professie (pedagogen, docenten) niet erkend worden als afzonderlijke en bijzondere partij die medezeggenschap heeft in onderwijsaangelegenheden?