Piet van der Ploeg

Het Lege Testament

Franeker: WEVER 1985

Sinds langere tijd al heerst het algemeen besef dat de kerken steeds meer de aansluiting missen met hun jongeren. Enerzijds roept het zorgen op: ouders, docenten, dominees en deskundigen maken zich zorgen, zorgen om de kerk en zorgen om de jongeren die zich van de kerk afkeren. Anderzijds roept het vraagtekens op: velen vragen zich af of die jongeren nog geloven of anderszins religieus zijn en welke vormen deze religieusiteit aanneemt; men is benieuwd naar de toekomst van de religie.

Dit onderzoek is een poging om in kaart te brengen waarom jongeren zich van de kerk afkeren en hoe zij stonden en staan tegenover kerk en geloven. Jonge kerkverlaters van gereformeerde huize zijn uitgebreid geïnterviewd. Hun verhalen over vroeger en nu vormen de basis van dit godsdienst-sociologisch/pedagogisch onderzoek.

De uitkomsten van het onderzoek tonen dat er nogal wat misvattingen bestaan over de verhouding tussen kerk en jongeren en over de religiositeit van jongeren.

Samenvatting en conclusies:
Het jongerenprobleem van de kerk is een mythe

Het boek maakte discussie los in de kerken.
Iets hiervan is nog steeds te herkennen in referenties in preken enzo, tot in Afrika ... : Boekie en Leë testament.

Jan Dirk Imelman, Wilna Meijer, Piet van der Ploeg en Rieuwert Wissink

Tussen leuren en leren

Kampen: KOK 1987

Analyse van elf methoden voor godsdienstonderwijs, uitgevoerd door de werkgroep Godsdienstpedagogiek, een samenwerkingsverband van theologen, godsdienstwetenschappers en pedagogen verbonden aan de faculteiten Godgeleerdheid en Sociale Wetenschappen van de Rijskuniversiteit Groningen.

Dit boek vormt een tussenstation op de weg van gangbaar naar pedagogisch godsdienstonderwijs. Het provoceert vanwege zijn kritiek op de huidige gang van zaken, zoals deze tot uitdrukking komt in de belangrijkste methoden voor godsdienstonderwijs anno 1985. Ondertussen informeert het ook --en zelfs vooral. Daarom kan dit boek behulpzaam zijn bij het maken van een keuze voor een methode. Elf zorgvuldig uitgekozen methoden voor godsdienstonderwijs voor het voortgezet onderwijs worden nauwgezet gekarakteriseerd; enerzijds onder inachtneming van de uitgangspunten van de auteurs ervan en anderzijds tegen de achtergrond van de uitgangspunten van de onderzoekers, namelijk de triadische pedagogiek. Het boek geeft een overzicht van uiteenlopende benaderingen binnen godsdienstpedagogisch Nederland en het roept op tot fundamentele discussie.

Ron Benjamins en Piet van der Ploeg

Gewoonweg Gereformeerd

Franeker: Van Wijnen 1988

Net als in andere kringen, maakt men zich in gereformeerde kring zorgen over het voortbestaan van de eigen culturele traditie. Deze zorg uit zich onder andere in verontrusting over het groeiend aantal kerkverlaters en over de vergrijzing van het kerkelijk ledenbestand. De overdracht van het gereformeerd erfgoed lijkt te stagneren. Aanleiding genoeg voor een onderzoek naar de gereformeerde opvoeding.

Gewoonweg gereformeerd beschrijft een onderzoek naar geloofsoverdracht in gereformeerde gezinnen. Vierenzeventig ouders en kinderen zijn uitgebreid geïnterviewd. Het betreft uitsluitend gezinnen waarvan de ouders kerkelijk meelevend en actief zijn (ambtsdragers, jeugdleiders en dergelijke). Van de ouders en de kinderen zijn de kerkelijkheid en de godsdienstigheid en de overdracht, verwerving en ontwikkeling ervan in kaart gebracht, benevens tal van factoren die hiermee samenhangen.

De resultaten van het onderzoek werpen een opmerkelijk licht op de stand van zaken in gereformeerde kring. De opdrachtgever, de particuliere synode van de gereformeerde kerken in Drenthe, heeft niet zonder reden geschokt gereageerd op de uitkomsten.

Samenvatting (van een deel van het onderzoek) en conclusies:

Resumé

Nabeschouwing

Wilna Meijer & Piet van der Ploeg

Wereldgodsdiensten I, II en III

Kampen: KOK 1991-1993

Godsdienstonderwijsmethode voor VWO en HAVO voor de vakken godsdienst, geestelijke stromingen en levensbeschouwelijke vorming

Wereldgodsdiensten laat leerlingen kennis maken met vier godsdiensten: hindoeïsme, jodendom, christendom en islam. De methode biedt een zakelijke inleiding die recht doet aan de eigen aard van de godsdiensten en de multiculturele samenstelling van maatschappij en schoolpopulatie.

Elke godsdienst wordt in eigen termen behandeld: keuze en behandeling van onderwerpen volgen de eigen logica van de betreffende godsdienst.

In deel 1 komen dagelijkse praktijken en kenmerkende grondgedachten aan bod.
In deel 2 ligt het accent op jaarlijkse feesten en karakteristieke verhalen.
In deel 3 wordt de geschiedenis van de vier godsdiensten verteld. De nadruk ligt op het ontstaan, de verbreiding en de plaats of rol van de godsdienst in de wereldgeschiedenis.

Piet van der Ploeg (red.)

Geschiedenis en filosofie van de sociale wetenschappen

Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese 1992

Het eerste hoofdstuk in twee delen:

Voorgeschiedenis: de Antieken

Voorgeschiedenis: de Middeleeuwen

Piet van der Ploeg

Opvoeding en politiek in de overlegdemocratie

Baarn: INTRO 1995

Tot de meest omstreden zaken in meervoudige, verdeelde samenlevingen behoren zonder twijfel pedagogische vraagstukken, te weten: de vraag wat kinderen moeten leren en de vragen wanneer, hoe, waar en waarom. Minstens zo controversieel is de vraag wie het voor het zeggen heeft. Waar wordt over pedagogische kwesties beraadslaagd? Wie nemen de beslissingen? Welke procedures en normen dienen daarbij in acht genomen te worden? Wat zijn rechtvaardige verhoudingen tussen ouders, staat, groepen of minderheden, deskundigen en kinderen? Kortom: in moderne samenlevingen bestaat de nodige onenigheid over pedagogische kwesties zelf zowel als over verdeling en normering van pedagogische autoriteit.

Beantwoording van pedagogische kwesties is een uitgesproken contextuele en historische aangelegenheid, even betrekkelijk als de interpretaties en de waarderingen die eraan voorafgaan, bijvoorbeeld waardering van elementen van traditie en cultuur, opvattingen over feitelijke en wenselijke kenmerken en mogelijkheden van kinderen --eventueel van verschillende categorieën kinderen--, definiëring van volwassenheid, interpretaties van maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen en economische en politieke verwachtingen en idealen. Pedagogische kwesties dulden geen algemene of duurzame antwoorden: de betrekkelijkheden nopen tot verspreide en permanente discussies. Dit alles maakt de gezagsvraag extra dringend en eveneens extra lastig.

Een bepaalde verdeling en normering van pedagogische autoriteit ordent de beraadslaging en de besluitvorming aangaande pedagogische kwesties: ze richt de ruimte in die de verspreide en permanente discussies over leren en opvoeding verbindt met de beslissingen over opvoedingspraktijken, onderwijsbeleid, wetgeving, enzovoorts. Dank zij haar verhoudingsgewijs abstracte en procedurele karakter is de gezagskwestie niet zo situatie- en duiding-gevoelig als pedagogische kwesties zelf. Over verdeling en normering van autoriteit kan natuurlijk ook alleen gedacht en gesproken worden op basis van --uiteindelijk-- interpretaties en aspiraties, maar hier zijn algemenere en duurzamer antwoorden mogelijk. Het democratische antwoord is daar een van.

Uitgebreid overzicht van de studie: Inleiding

Samenvatting in het Engels: Summary

Wilna Meijer, Piet van der Ploeg en Daan Thoomes (red.)

Pedagogiek als tijdrede

Baarn: INTRO 1999

De triadische pedagogiek gaat uit van de klassieke pedagogische gedachte dat het in opvoeding, vorming en onderwijs gaat om cultuuroverdracht. De ene generatie geeft aan de volgende door wat zij de moeite waard vindt. Het is geen proces van reproductie, want er is pas sprake van overdracht als het kind zich het aangebodene werkelijk eigen maakt, dus reflexief leert en zodoende mondig wordt. Neemt de nieuwe generatie de cultuur kritisch over en onder eigen verantwoordelijkheid mee de volwassenheid in, dan blijft de traditie leven en blijft de cultuur productief. Een en ander normeert de pedagogische praktijk: opvoeders en onderwijzers geven de kinderen mee wat het overdragen waard is en doen dit zodanig, dat intussen de kinderlijke zelfstandigheid en zelfdenkzaamheid bevorderd worden. Alleen dan wordt de cultuur van generatie op generatie overgedragen, terwijl ze haar waarde behoudt en bij de tijd blijft.

De twintigste eeuw had volgens vemieuwingspedagogen aan het begin van de eeuw de eeuw van het kind moeten worden. Aan het eind van de eeuw is het Vom Kinde aus-denken in de pedagogiek weer erg actueel. Zo heeft men in en rond de school de mond vol van 'adaptief onderwijs'. De ontwikkeling van het kind moet worden gevolgd. De eigen activiteit van de leerling moet centraal staan. De studiehuis-idee in het voortgezet onderwijs heeft dezelfde achtergrond. De pedagogische norm dat de onderwijzer iets van waarde heeft door te geven en daarom een onmisbare actieve rol in het onderwijsleerproces heeft te spelen, staat in een slechte reuk.

De triadische pedagogiek gaat tegen de tijdgeest in, maar is, in zekere zin juist daardoor, eigentijds. Deze bundel wil de actualiteit van het klassieke pedagogische denken demonstreren. De bijdragen zijn merendeels proeven van triadische pedagogiek en in enkele gevallen opstellen over triadische pedagogiek. Stuk voor stuk benaderen ze historisch-culturele processen en verschijnselen als uitdagingen aan opvoeding en onderwijs. De aandacht gaat steeds uit naar de betekenis van hedendaagse problemen en ontwikkelingen voor pedagogische praktijken. Omdat opvoeding en onderwijs cultuuroverdracht beogen, zijn veranderingen in de cultuur en maatschappij zonder meer relevant voor de pedagogiek.

Dit boek komt niet toevallig uit op de dag dat de grand old man van de triadische pedagogiek te onzent, Jan Dirk Imelman, zestig jaar wordt. Auteurs en redacteurs dragen het aan hem op. Als bijlage is een bibliografie van Imelman opgenomen.

Piet van der Ploeg, Jan Dirk Imelman, Wilna Meijer en Henk Wagenaar

De overheid als bovenmeester

Baarn: INTRO 1999

Er heeft zich in de jaren negentig een wending voorgedaan in de onderwijspolitieke en onderwijsrechtelijke verhoudingen in ons land. Terwijl de overheid steeds minder voorschrijft en regelt op personeel, materieel en financieel gebied, krijgt ze meer greep op de inhoud van het onderwijs, op de leerdoelen, de leerstof en de didactiek. Illustratief zijn de invoering van de kerndoelen basisonderwijs en basisvorming, de plannen voor tussendoelen en leerlijnen en de vernieuwing van het tweede fase voortgezet onderwijs (met name het studiehuis).
De zeggenschap en de controle van de overheid over de inhoud van het funderend onderwijs nemen toe. Een bekend risico is dat het ten koste gaat van de onderwijsvrijheid. Een minder vanzelfsprekend risico is dat het ten koste gaat van de onderwijskwaliteit. Voor deze onverwachte keerzijde van overheidszorg vraagt dit boekje de aandacht.
Dat overheidszorg niet altijd goed is voor onderwijs blijkt uit onderzoek naar de totstandkoming van twee generaties kerndoelen, analyse van de huidige kerndoelen en kritische beoordeling van educaties, studiehuis en de politieke invloed van onderwijskundige modes. Alles bijeen genomen is er sprake van maatschappelijke overvraging en pedagogische ontmanteling van de school. De conclusie is: de overheid bemoeit zich te veel en te rechtstreeks met de inhoud van het onderwijs; de pedagogische professie wordt gemarginaliseerd; klassieke pedagogische principes worden veronachtzaamd.
In het laatste hoofdstuk wordt een praktisch voorstel gedaan voor verbetering van de relatie tussen enerzijds politiek en overheid en anderzijds pedagogiek en opvoeding. Institutionalisering van cultuurpedagogische discussie lijkt uitkomst te kunnen bieden.

Inleiding: Bovenmeester