![]() |
Piet van der Ploeg Het Lege Testament Franeker: WEVER 1985 |
Sinds langere tijd al heerst het algemeen besef dat de kerken steeds meer de aansluiting missen met hun jongeren. Enerzijds roept het zorgen op: ouders, docenten, dominees en deskundigen maken zich zorgen, zorgen om de kerk en zorgen om de jongeren die zich van de kerk afkeren. Anderzijds roept het vraagtekens op: velen vragen zich af of die jongeren nog geloven of anderszins religieus zijn en welke vormen deze religieusiteit aanneemt; men is benieuwd naar de toekomst van de religie. Dit onderzoek is een poging om in kaart te brengen waarom jongeren zich van de kerk afkeren en hoe zij stonden en staan tegenover kerk en geloven. Jonge kerkverlaters van gereformeerde huize zijn uitgebreid geïnterviewd. Hun verhalen over vroeger en nu vormen de basis van dit godsdienst-sociologisch/pedagogisch onderzoek. De uitkomsten van het onderzoek tonen dat er nogal wat misvattingen bestaan over de verhouding tussen kerk en jongeren en over de religiositeit van jongeren. Samenvatting en conclusies:
Het boek maakte discussie los in de kerken. |
![]() |
Piet van der Ploeg (red.) Geschiedenis en filosofie van de sociale wetenschappen Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese 1992 |
Het eerste hoofdstuk in twee delen: |
![]() |
Piet van der Ploeg Opvoeding en politiek in de overlegdemocratie Baarn: INTRO 1995 |
Tot de meest omstreden zaken in meervoudige, verdeelde samenlevingen behoren zonder twijfel pedagogische vraagstukken, te weten: de vraag wat kinderen moeten leren en de vragen wanneer, hoe, waar en waarom. Minstens zo controversieel is de vraag wie het voor het zeggen heeft. Waar wordt over pedagogische kwesties beraadslaagd? Wie nemen de beslissingen? Welke procedures en normen dienen daarbij in acht genomen te worden? Wat zijn rechtvaardige verhoudingen tussen ouders, staat, groepen of minderheden, deskundigen en kinderen? Kortom: in moderne samenlevingen bestaat de nodige onenigheid over pedagogische kwesties zelf zowel als over verdeling en normering van pedagogische autoriteit. Beantwoording van pedagogische kwesties is een uitgesproken contextuele en historische aangelegenheid, even betrekkelijk als de interpretaties en de waarderingen die eraan voorafgaan, bijvoorbeeld waardering van elementen van traditie en cultuur, opvattingen over feitelijke en wenselijke kenmerken en mogelijkheden van kinderen --eventueel van verschillende categorieën kinderen--, definiëring van volwassenheid, interpretaties van maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen en economische en politieke verwachtingen en idealen. Pedagogische kwesties dulden geen algemene of duurzame antwoorden: de betrekkelijkheden nopen tot verspreide en permanente discussies. Dit alles maakt de gezagsvraag extra dringend en eveneens extra lastig. Een bepaalde verdeling en normering van pedagogische autoriteit ordent de beraadslaging en de besluitvorming aangaande pedagogische kwesties: ze richt de ruimte in die de verspreide en permanente discussies over leren en opvoeding verbindt met de beslissingen over opvoedingspraktijken, onderwijsbeleid, wetgeving, enzovoorts. Dank zij haar verhoudingsgewijs abstracte en procedurele karakter is de gezagskwestie niet zo situatie- en duiding-gevoelig als pedagogische kwesties zelf. Over verdeling en normering van autoriteit kan natuurlijk ook alleen gedacht en gesproken worden op basis van --uiteindelijk-- interpretaties en aspiraties, maar hier zijn algemenere en duurzamer antwoorden mogelijk. Het democratische antwoord is daar een van. Uitgebreid overzicht van de studie: Inleiding
Samenvatting in het Engels: Summary
|
![]() |
Piet van der Ploeg, Jan Dirk Imelman, Wilna Meijer en Henk Wagenaar De overheid als bovenmeester Baarn: INTRO 1999 |
Er heeft zich in de jaren negentig een wending voorgedaan in de onderwijspolitieke en onderwijsrechtelijke verhoudingen in ons land. Terwijl de overheid steeds minder voorschrijft en regelt op personeel, materieel en financieel gebied, krijgt ze meer greep op de inhoud van het onderwijs, op de leerdoelen, de leerstof en de didactiek. Illustratief zijn de invoering van de kerndoelen basisonderwijs en basisvorming, de plannen voor tussendoelen en leerlijnen en de vernieuwing van het tweede fase voortgezet onderwijs (met name het studiehuis). Inleiding: Bovenmeester |